Blog

Nu weet ik het zeker: ik wil naar Paraty! (Vrijdag 11 oktober - Dag 3 Frankfurter Buchmesse)

13-10-2013

De Braziliaanse schrijvers die ik wilde zien blijken in het weekend of op locaties buiten het terrein van de Buchmesse te zijn geprogrammeerd. Hun optredens zijn in de eerste plaats voor het Duitse publiek bedoeld, en niet voor de internationale boekenvakkers, die er tijdens de vakdagen van woensdag t/m vrijdag met vakgenoten vooral op gericht zijn om vertaalrechten te kopen of verkopen. 

Gelukkig liepen er op het beursterrein nog voldoende andere Brazilianen rond die me wegwijs konden maken bij mijn verkenningstocht door het Braziliaanse schrijverswoud. Samuel Titan, uitgever van Editora 43, somde op mijn verzoek een aantal Braziliaanse schrijvers op die hij de moeite waard vond: Michel Laub (1973), wiens roman ‘Overal en altijd weer’ deze maand door Anthos in Nederlandse vertaling is uitgebracht, Francisco Alvim (1938), een oudere dichter en voormalig diplomaat; Milton Hatoum (1952), die als een van de grote hedendaagse Braziliaanse schrijvers wordt beschouwd en in Nederland wordt uitgegeven door Atlas, schrijver en illustrator Bernardo Carvalho (1960) en dichter en korte verhalenschrijver Fabricio Corsaletti (1978).

Bij de stand van Companhia das Letras gaf een enthousiaste Braziliaanse medewerkster me een stapel boekjes mee met vertaalde fragmenten van auteurs van wie de uitgeverij denkt er de internationale markt mee te kunnen veroveren: Carol Bensimon (1982), opgenomen in Granta’s Magazine The Best of Young Brazilian Novelists, Sergio Rodriguez (1962) die voor zijn oeuvre de prestigieuze Braziliaanse Premio Cultura ontving, de met literaire prijzen overladen Carlos de Brito e Mello (1974) en de jonge veelbelovende schrijfster Juliana Frank (1985).

Informatief waren ook de verhalen van op de beurs aanwezige Braziliaanse festival- en boekenbeursorganisatoren. De biënnales in Rio de Janeiro en São Paulo zijn het ‘Frankfurt’ van Brazilië: de twee steden zijn al meer dan twintig jaar om en om gastheer van de grootste boekenbeurs van het land. Sônia Jardim, organisator van de beurs in Rio de Janeiro, sloeg het publiek om de oren met de wapenfeiten van 'haar' beurs: in augustus 2013 hadden ze 660.000 bezoekers, werden er 1000 nieuwe boeken gelanceerd, 3.5 miljoen boeken verkocht, en waren er 51 % van de bezoekers in de leeftijd van 17-20 jaar. Tijdens de beurs hangen de straten vol met vlaggen en posters en wordt er een uitzondering gemaakt op de regel dat er in Rio geen straatreclame gemaakt mag worden. Jaarlijks wordt met een themaland gewerkt: van de Europese landen zijn Portugal, Spanje, Frankrijk en Italië al aan bod geweest en gastland Duitsland heeft dit jaar 9 schrijvers geleverd. Momenteel wordt druk overlegd wie er in 2015 gastland zal zijn. Op mijn vraag of Nederland geen goede optie zou zijn, reageert ze bevestigend.

De Nederlandse literaire agente Marleen Seegers vertegenwoordigt diverse Braziliaanse auteurs en verkocht er inmiddels ook enkele aan Nederland. 'De sleutel tot het familiegeheim’ van Luisa Valente is inmiddels verschenen bij Nieuw Amsterdam. De rechten van Robeldo Wrobers 'Translating Hannah' gingen naar de Geus, die het boek in maart 2014 uitbrengen. Signatuur gaat ‘Palma’s Rice’ vertalen onder de titel 'Familie is het moeilijkste gerecht'. In Brazilië zelf bestaat volgens Seegers vooral veel aandacht voor jeugdboeken, doordat uitgevers subsidie ontvangen om educatief materiaal te ontwikkelen voor jonge lezers; er is veel belangstelling voor thema’s als pesten, verlies en het overlijden van een familielid. Seegers bezocht in augustus de biënnale in Rio, en vond het weliswaar nuttig om heen te gaan, maar niet zo aantrekkelijk gelegen op een locatie ver buiten het centrum.

Het jaarlijkse in juli gehouden internationale literatuurfestival FLIP, niet ver van Rio, heeft door de aantrekkelijke ligging in het historische aan tropische stranden gelegen stadje Paraty een belangrijke streep voor. Dit vijfdaagse festival is sinds de oprichting in 2003 een groot succes gebleken, dat volgens curator Miguel Conde veel navolging heeft gekregen in andere plaatsen in het land. FLIP brengt buitenlandse auteurs naar het festival, en programmeert naast bekende Braziliaanse auteurs ook zangers zoals Gilberto Gil en Chico Buarque. Als ik zijn verhalen hoor en beelden van het festival zie weet ik het zeker: ik moet dat festival een keer bezoeken. Wie weet in 2015, als Nederland gastland wordt in Brazilië?

Presentatie Paraty in de Brazilië-expositie op de Buchmesse

Waar zijn de Braziliaanse schrijvers? (donderdag 10 oktober Frankfurter Buchmesse dag 2)

13-10-2013

Pedal to BrazilToen ik vanochtend de deur achter mij dichttrok hoorde ik een voorbijganger op straat in haar telefoon druk Portugees praten, van het zangerige soort dat in Brazilië wordt gesproken. Afgelopen weekend heb ik me er ook nog aan verlustigd, tijdens een feestje van vrienden van mijn man die op capoeira zit. In Nederland, maar ook in de rest van Europa, is die Braziliaanse vecht-danssport

razend populair. De sport vindt zijn oorsprong in de schijnbewegingen die de Afrikaanse slaven in Brazilië maakten om hun meesters te misleiden: ze oefenden zich in het vechten terwijl ze deden alsof ze dansten. Op het feestje waren twee 'Mestres' (meesters) aanwezig: de een woonde en gaf capoeirales in Bern en de ander in Granada. Ze waren nu een weekendje in Nederland om een 'bautizado' voor de club van mijn man en zijn vrienden te verzorgen, wat letterlijk 'doop' betekent maar als ik mijn man mag geloven geen eng ritueel is, maar een soort masterclass waarbij je wordt bevorderd tot een volgend niveau, zoiets als wanneer je bij judo van een bruine naar een zwarte band gaat.

Als ik op Amsterdam CS in de hispeed naar Frankfurt stap hoor ik de jongeren die voor mij de trein ingaan ook Portugees praten. Ik vraag of ze ook naar de boekenbeurs in Frankfurt gaan, maar nee, ze hebben nog nooit van de Buchmesse gehoord, ze zijn hier gewoon omdat ze in Wageningen studeren, met een Braziliaanse studiebeurs. Het land investeert niet alleen in het exporteren van haar schrijvers, maar ook in de opleidingen van haar studenten.

Brazilië lijkt ineens all over the place, en dan ben ik nog niet eens in Frankfurt aangekomen. Komt het doordat de Braziliaanse economie zo booming is? Moeten wij nu naar Brazilië om de Nederlandse literatuur daar aan de man te brengen?

Het Nederlands Letterenfonds treft al voorbereidingen in die richting. Zodra het WK voetbal in 2014 in Brazilië achter de rug is, zijn in 2015 of 2016 hopelijk de Nederlandse schrijvers aan de beurt om de literaire festivals en boekenmarkt in Brazilië te veroveren. De Braziliaanse uitgever die hier afgelopen week op uitnodiging van het Nederlandse Letterenfonds op bezoek was en met wie ik het genoegen had kennis te maken, maakte alvast een rondje Nederlandse uitgevers op zoek naar schrijvers die hij in Brazilië kon laten vertalen.

Hij nuanceerde de geluiden over hoe goed alles in Brazilië ging. Mensen kijken er ook liever naar de soaps op tv dan dat ze boeken lezen; de boekendistributie is er hopeloos slecht geregeld, en ook in Brazilië valt er met het verkopen van goede boeken nauwelijks een droge boterham te verdienen. De eerste oplage van een mooie roman ligt er rond de 1500 à 2000 exemplaren, vergelijkbaar met die in Nederland, terwijl ons land onvergelijkbaar veel kleiner is.

Op de Buchmesse aangekomen vraag ik bij de informatiebalie om een overzicht van Braziliaanse evenementen en krijg ik een veelbelovend kloeke gids 'Events within the Fair' waarin ik na veel gepuzzel nog geen fractie van de 70 beloofde Braziliaanse schrijvers terugvind. 's Avonds beland ik bij toeval in een restaurant waar de presentatie van een boek van de Fransman Olivier Truc plaatsvindt, wiens thriller door talrijke buitenlandse uitgevers is gekocht. Een stuk of twintig internationale uitgevers gaan met elkaar op de foto, inclusief de trotse Nederlandse uitgever Nelleke Geel van Signatuur. Als ik binnenkom word ik aangezien voor de Braziliaanse uitgever, die niet is komen opdagen.

Waar zijn de Brazilianen in Frankfurt gebleven? Waarom hoor ik ineens niemand meer Portugees praten?

Braziliaanse schrijvers op de Frankfurter Buchmesse (Dag 1 woensdag 9 oktober)

13-10-2013

Brazilie gastlandBrazilië: ik ben er nog nooit geweest, maar ik hou van dat land. Ik ken het alleen van verhalen en uit boeken en films. Uit de verhalen van mijn broer, die er jaren gewoond heeft en zich onlangs weer in Rio heeft gevestigd. En uit de prachtige boeken die August Willemsen met zijn mooie vertalingen en nawoorden in Nederland introduceerde. De onvergetelijke romans van Machado Assis, Graciliano Ramos, João Guimarães Rosa, om meteen maar enkele grote klassiekers te noemen. En de erotische gedichten van Carlos Drummond de Andrade, die Heddy Honigmann in haar ontroerende documentaire 'O amor natural' door stelletjes op leeftijd liet declameren. De bejaarden raakten er helemaal hitsig van.

Als student had ik het voorrecht colleges te volgen bij August Willemsen. Hij kon uren wijden aan het doorgronden van één alinea tekst, terwijl alle studenten aan zijn lippen hingen. In het gewone leven stotterde hij, maar als hij ons vertelde over de schatten uit de Portugese en Braziliaanse literatuur stroomden de woorden zijn mond uit als de rivier de Amazone. Hij schreef al even gepassioneerd over zijn reizen door Brazilië in het boek 'Braziliaanse brieven.' Niet alleen over wat hem er zo aan beviel, maar ook wat hem als stugge Hollander verbaasde en ergerde: de bureaucratie, het lawaai, het uitbundige vertoon van sensualiteit en sentimentaliteit, de mannen die elkaar op straat om de hals vielen, de verzengende hitte die maakte dat je alweer begon te zweten als je net onder de douche vandaan kwam. Het was een boek vol subliem gekanker op een land waar hij ongeneeslijk aan verslingerd was geraakt.

Andere jaren, toen ik naar Frankfurt ging om boeken te acquireren, ging het vaak volkomen langs me heen welk land er focusland was en wat er rond dat 'Schwerpunkt' georganiseerd werden. Tegenwoordig werk ik niet meer als redacteur of uitgever maar als coördinator en programmamaker voor het internationale literatuurfestival Writers Unlimited, en dit jaar ga ik vooral omdat Brazilië themaland is. Ik ben benieuwd naar het blik schrijvers dat de organisatie heeft opengetrokken: misschien zit er iemand bij die we volgend jaar naar ons festival kunnen uitnodigen. Iemand die prachtige boeken schrijft die we nog niet kennen, die we ook in Nederland kunnen introduceren, en die ook op een podium uit zijn woorden kan komen, bij voorkeur in goed verstaanbaar Engels.

Keuze zat, zou je denken. Er zijn maar liefst zeventig schrijvers uit Brazilië ingevlogen. Maar afgelopen week sprak ik een Braziliaanse uitgever die er schande van sprak dat zijn land zo met hagel schiet, in plaats van een kleiner maar zorgvuldiger geselecteerd en geprogrammeerd aanbod te verzorgen. En hoewel Paulo Coelho door zijn eigen Nederlandse uitgever schaamteloos ‘Braziliës beste literaire exportproduct’ wordt genoemd, heeft ook hij laten weten om die reden niet naar de Buchmesse te willen komen.

Misschien kan ik dus beter naar Brazilië om de écht goede schrijvers van nu te vinden. Ik zou niets liever willen. Maar nu toch eerst maar even naar Frankfurt.

Tortured by the bell

16-03-2012

Saved by the bell, kent u die uitdrukking? Nou ik niet. Onze deurbel dreigt mijn ondergang te worden.
Soms weigert hij dienst en dwingt hij bezoekers op het raam te bonken - iets wat ik alleen hoor als ik op dat moment toevallig in de buurt ben. Het maakt geen al te gastvrije indruk, maar daar valt nog wel mee te leven. Onaangenamer is dat de deurbel ook graag spontaan in luidruchtig geschal losbrandt, zonder dat er mensenvingers aan te pas komen. Hadden we zo'n lieflijke klingelbel, dan hoefde dat ook geen onoverkomelijk probleem te zijn. Maar onze bel is vermoedelijk speciaal ontworpen voor doven en slechthorenden: hij klinkt opdringerig door tot in de verste uithoeken van het huis. Het is net een klein kind dat om aandacht schreeuwt. De enige manier om hem tot zwijgen te brengen is hem even persoonlijk aan te raken. Soms houdt hij zich wel een week lang koest, maar het komt ook voor dat hij me meermalen per dag naar de voordeur laat rennen om gestrest een eind te maken aan het oorverdovende gekrijs.
De bel vindt mijn vertoon van toewijding blijkbaar nog niet overtuigend genoeg en is sinds kort overgegaan op zwaarder geschut. Ook 's nachts moet ik nu voor hem klaarstaan. De eerste nacht stond ik bij het horen van het bekende geluid meteen klaarwakker naast mijn bed en vloog de trap af. De voordeur zat op het nachtslot, dus het duurde even voor ik hem open had en intussen  waren mijn trommelvliezen al half aan flarden. Vlak voor ik de deur opende hield de bel er uit eigen beweging mee op. En dat nu wekte mijn argwaan. Dergelijk pesterig raffinement was ik van mijn bel niet gewend. Hier moest meer aan de hand zijn. Ik deed een stap naar buiten om te zien of het gebel misschien toch door mensenhanden in gang was gezet. Maar ik zag niemand en keerde weer terug naar bed, klaarwakker en met ijskoude voeten, niet meer in staat de slaap te vatten. Complottheoriëen spookten door mijn hoofd: misschien waren het inbrekers geweest, die hadden aangebeld om te kijken of we thuis waren en zich snel uit de voeten hadden gemaakt toen zij mij in de weer hoorden met het nachtslot. De volgende ochtend moest mijn man, die overal doorheen had geslapen, smakelijk lachen om mijn verhaal. Ik zag er, slechtgehumeurd door het slaapgebrek, de lol niet van in. 'Zit niet zo dom te lachen en vervang die stomme bel nu eindelijk eens een keer,' beet ik hem toe, maar hij haalde zijn schouders op, want hij had nergens last van.
Vanacht was het weer zover. Ik schrok wakker, terwijl mijn man opnieuw stoïcijns door het geluid bleef heen slapen. Ik stootte hem ruw wakker: 'De bel gaat weer af. Nu mag jij hem uitzetten.' Het enige wat hij kon uitbrengen was een slaperig: 'huh? huh?', als een hummende tweede stem die het dwingende gekrijs van de bel ondersteunde. waarna hij het dekbed over zijn hoofd trok om weer vrolijk verder te slapen. Van hem hoefde ik weer niets te verwachten. Dus rende ik maar weer mijn bed uit, net als vroeger toen de kinderen nog klein waren en ' s nachts ook spontaan afgingen zonder dat mijn man het ooit hoorde. Weer hield de bel er plagerig mee op vlak voor ik hem zelf kon uitzetten.
Terug in bed was ik zo woedend dat ik mijn man woest door elkaar schudde totdat ook hij goed wakker was. 'Lachen!' beval ik hem sissend. 'Je vindt het toch zo grappig. Nou lach dan! Lach dan!' Hij lachte slaperig, om zo snel mogelijk van me af te zijn, of  misschien wel omdat hij vond dat ik me belachelijk gedroeg. Zo worden mijn huwelijk en mijn nachtrust steeds verder ondermijnd. Ik zou eigenlijk een nieuwe bel moeten kopen, maar daarvoor ben ik veel te moe.

Grootse roman van Martijn Knol

15-03-2012

Martijn Knol heeft een bij vlagen briljant boek geschreven dat tot nu toe ten onrechte vrijwel onopgemerkt is gebleven en dat ik graag onder de aandacht zou willen brengen van literatuurliefhebbers.

'Alles kan kapot' bestrijkt de lotgevallen van drie generaties familieleden. Als lezer ga je met de personages steeds verder terug in de tijd en ben je er getuige van hoe zij door hun ervaringen worden gevormd en beschadigd. Het boek eindigt in 1945 met het voornemen van Ambrosius om helemaal opnieuw te beginnen. Hij besluit te zwijgen over het geweld dat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog als jonge fabrieksarbeider in Zuid-Duitsland heeft gezien en ondervonden. Als lezer weet je inmiddels dat deze zelfde man zijn dochter Merel, die dan nog geboren moet worden, later - door incest - zal gaan beschadigen en ook tot een eenzaam zwijgen zal veroordelen. En dáárvoor, aan het begin van het verhaal, dat opent  in 2011, hebben we kunnen lezen hoe Merels ervaringen haar kinderen hebben beïnvloed: de gevoelige Jonathan, die zich geen raad weet met zijn moeders pijn, en de stoere Serafijn, die in het scheppen van kunst een vorm vindt om zich te uiten.

Serafijn is één van de belangrijkste personages in het boek. Haar grote liefde is de sensuele Kat, die in gewelddadige opwellingen niet alleen Serafijn fysiek te lijf gaat, maar ook haar kunstwerken vernielt. Serafijn laat zich niet snel uit het veld slaan door de destructieve buien van haar geliefde; zij verstaat de kunst uit alle brokstukken weer iets nieuws te creëren. De kunstwerken van Serafijn bieden stof tot prachtige en soms ook humoristische bespiegelingen over kunst; zo last de auteur ronkende ‘citaten’ in van geborneerde kunstcritici die haar allerlei intenties toeschrijven, die de kunstenaar er zelf nooit mee heeft gehad.

Martijn Knol is een taalvirtuoos met onbegrensde verbeeldingskracht, die als geen ander de kunst van het kijken verstaat. Zijn ongebreidelde nieuwsgierigheid en scherpe observatievermogen staan borg voor een beeldende en zintuiglijke manier van vertellen. Zo weet hij de val van een ladder, die in werkelijkheid hooguit enkele seconden in beslag kan nemen, uit te spinnen tot een bloedstollend spannende passage die de lezer pagina’s lang in de ban houdt, en die uitmondt in een onwaarschijnlijke, maar toch volledig geloofwaardige dramatische ontknoping.

Een goede schrijver kan het meest onwaarschijnlijke, ja zelfs het onmogelijke mogelijk maken, zo illustreert Martijn Knol in passages waarin het heel aannemelijk is dat mensen kunnen vliegen of over water lopen, ja zelfs doodgaan en dan toch gewoon weer opduiken, niet in de fantasie en niet als geest, maar domweg als uit de dood teruggekeerd personage dat   op onnadrukkelijke wijze opnieuw een plaats opeist in het verhaal. Met dit soort ingrepen  ontregelt hij de lezer, die zich erbij moet neerleggen dat niet alles met het verstand te duiden is, maar zich tegelijkertijd realiseert waarom literatuur zoveel boeiender is dan de werkelijke wereld: omdat alles kan. 

Anil Ramdas overleden

17-02-2012


Anil Ramdas in het programma Surinaamse dromen in Writers Unlimited Winternachten festival Den Haag, op zaterdag 21 januari 2012 - foto Serge Ligtenberg

Zojuist bereikte mij - via het Writers Unlimited Festival waar ik als programmacoördinator kort geleden nog met Anil Ramdas heb samengewerkt - het onwerkelijke en schokkende nieuws dat hij gisteren op zijn 54e verjaardag is overleden. Volgens een familielid die Anils dood aan NRC Handelsblad bevestigde, gaat het om een zelfverkozen dood.

Op zaterdag 21 januari presenteerde hij in het festival Writers Unlimited nog het programma 'Forgive or Forget', met schrijvers Adriaan van Dis, de Zuid-Afrikaanse Kopana Matlwa en de Indonesische Leila Chudori. Ook nam hij deel aan het programma 'Surinaamse dromen,' waarvoor hij deze column schreef.  

ANIL'S DROOM VOOR SURINAME
Geschreven in opdracht van Writers Unlimited, januari 2012

Ik heb een droom. De droom dat mijn land Suriname de 21ste eeuw bereikt. U zult zeggen: de wereld zit al 12 jaar in de 21ste eeuw.

Ja, maar niet Suriname. Suriname drijft nog ergens in het verleden. En dat had ik niet verwacht, toen ik 5 jaar geleden besloot er een jaar door te brengen.

Tijdens de wisseling van het millennium was ik in India, als correspondent voor NRC-Handelsblad. Ik verhuisde met mijn hele gezin, en ik had ze gewaarschuwd: we gaan een tijdje wonen in een achterlijk land. Ze hebben er niets. Geen brede wegen of mooie auto’s, geen spannende tv, geen mooie winkels en restaurants, en geen broodroosters, wekkerradio’s, magnetrons. Of cd-spelers. Ze gebruiken nog iets als een cassettebandje, en ik legde mijn kinderen uit wat dat was. Alles is daar lekker ouderwets, legde ik mijn kinderen uit. En ik legde ze uit wat het woordje ouderwets betekende.

In januari van het jaar 2000 kregen we in ons huis in Delhi een telefoonverbinding. En op een middag was de schoonmaakster de voorkamer aan het dweilen. Toen ging plotseling de telefoon over. Ring, ring, ring. De vrouw schrok hevig en deinsde terug. Wat is dat voor raar ding, dat ineens geluid maakt. Een deurbel kende ze wel. Maar wat was dit in Godesnaam.

Ik wist haar te kalmeren, nam de horen van de haak en voerde een gesprek. Ze bleef peinzend kijken. Meneer is gek geworden. Hij praat in een ding.

Drie jaar later, beste mensen, lachte diezelfde schoonmaakster mij uit. Omdat zij mij moest uitleggen hoe ik hippe ringtones kon downloaden voor mijn mobiele telefoon.

Deze revolutie wilde ik ook in Suriname meemaken. Daarom besloot ik in 2007 mij een jaar te vestigen in Paramaribo. Maar in Suriname wilden de machthebbers niet weten van de moderne technologische revolutie. Venetiaan, op dat moment de president van het land, was nog in het radio- en telex-tijdperk. Dat vond hij modern genoeg.

Hoe is dat mogelijk, vroeg ik me af. Waarom is internet in Suriname 135 keer zo duur als in bijvoorbeeld Trinidad, ook in het Caribische Gebied.

Omdat de machthebbers in de vorige eeuw zijn blijven steken. Als ze dromen, kijken ze naar beneden. Dan zien ze de mogelijkheden: alles wat uit de grond kan komen. Goud, hout, olie, rijst, bananen. Ze denken dat dat de toekomst is van het land.

Neen, beste mensen. De toekomst van het land zit in de lucht. Op twee manieren. Ten eerste hangen daar de satellieten, waardoor we al onze goed geschoolde jongeren kunnen helpen aan een baan. Ja, in callcenters, zoals ze dat in India ook hebben gedaan. Suriname is het enige land waar Nederlands wordt gesproken terwijl het loonniveau een derde is van Nederland. We kunnen alle klantenservice-afdelingen van alle Nederlandse bedrijven moeiteloos in één dag overnemen.

Maar er komt ook nog iets anders uit de lucht: de Surinamers uit Nederland. Ze zijn hooggeschoold en ze verlangen naar de warmte. Deze Surinamers worden in hun eigen land met schele ogen aangekeken. Met jaloezie en rancune. India deed het omgekeerde: vanaf 2000 werden alle geschoolde Indiërs die in Engeland en Amerika woonden, met open armen ontvangen, om in hun eigen land te ondernemen en de ontwikkeling te bevorderen. Maar in Suriname vinden ze ons een soort verraders. En daarom willen deze zwarte Nederlanders, zoals ze sarcastisch worden genoemd, zich er niet vestigen.

Ik heb dus een droom voor mijn land, en ik zeg telkens opzettelijk mijn land. Dat ze er naar boven kijken, naar de volle vliegtuigen en de moderne satellieten. Kijk niet naar beneden, Suriname, kijk naar boven. Ik droom dat mijn land de 21ste eeuw bereikt. Ik droom dat het land mijn soort mensen, ons soort mensen bereikt.
                                                                     ***

Kort na zijn optreden in januari in Den Haag schreef hij ons: "Dank voor een fijne, boeiende avond. Was heel blij na afloop, en had weer eens flink veel hoop. Jullie zijn gevers van hoop - op een betere wereld,

Lieve groet,

Anil Ramdas

schrijverstournee Kuala Lumpur en Makassar juni 2011 dag 9

03-02-2012

Donderdag 16 juni 2011

S Ochtends bezoeken we met de chauffeur een straat waar we wat souvenirs kunnen kopen.

Gunduz vertrekt vervolgens naar de universiteit, waar hij een lezing houdt voor studenten. Hij komt daar enorm enthousiast van terug: voor hem was dat een van de meest interessante ervaringen.

Abeer doet een programma met kinderen. Ze vertelt in het Arabisch een verhaal over een Spaanse stier, met zoveel gebaren en stemverheffingen, dat het ook zonder tolk al een prachtige vertoning is. Het is een groot succes. Lily deelt de kinderboeken die ik had meegenomen uit Nederland onder de kinderen uit.

Later op de middag is er ook nog een discussie over Writing in the era of the new media. Het is erg heet in de zaal, die toch behoorlijk vol zit, met zo’n 150 mensen. Maaza vertelt dat ze zo min mogelijk gebruik probeert te maken van de sociale media omdat ze haar afhouden van haar werk. Maar dat ze toch ook heel blij is met de nieuwe communicatiemogelijkheden: nu kan ze vanuit New York skypen met haar familie in Ethiopie. En hier in Indonesie heeft ze al facebookvrienden ontmoet.

Abeer zegt dat ze minstens vier uur per dag besteedt aan facebook en internet. Ze vertelt dat tijdens de revolutie internet eerst werd afgesloten. Toen gebruikten mensen hun mobiel en uiteindelijk klopten ze gewoon op elkaars deuren om elkaar op te roepen naar het Tahirplein te komen. We hoeven geen slaaf van machines te zijn en moeten het menselijke contact niet verliezen. Maar nieuwe technologie brengt ook weer nieuwe manieren met zich mee om verhalen te vertellen, bijvoorbeeld via I-pad, video, tekeningen.

’s Avonds is er een slotprogramma, een godsgruwelijk goede maaltijd (met lekkerste tonijn ever). We vertellen een verhaal over vis, met als schakel de gerookte haring die ik uit Nederland heb meegebracht. Het wordt een ontzettend grappig verhaal over de United Nations of Fish. Rodaan neemt nog een laatste keer het applaus in ontvangst voor de voordracht van zijn poëzie.

We dansen nog wat met de koks en het bedienend personeel en vertrekken dan naar het hotel, waar we in de lounge nog tot diep in de nacht dansen en Nederlandse, Engelse en Indonesische liedjes zingen, met Ton als gitarist. Van sommige Nederlandse liedjes (hoofd, schouders knieen teen, knieen teen) blijkt een Indonesische variant te bestaan. We lachen ons gek. Het is een prachtige afscheidsavond. De verbroedering ten top.

schrijverstournee Kuala Lumpur en Makassar juni 2011 dag 8

03-02-2012

Woensdag 15 juni

Bezoek aan een eiland voor de kust van Makassar. De bedoeling was dat we na verkenning van het eiland weer een voordracht zouden doen, maar de elektriciteit is uitgevallen op het eiland, waardoor weer geen projecties kunnen plaatsvinden. Het is te warm om het in de open lucht te doen, dus besloten wordt dit onderdeel naar de middag te verplaatsen. Terwijl we wachten op de boot die ons mee terug moet nemen, en op dat deel van de groep dat nog ergens achterblijft, doet Rodaan samen met een lokale schrijver als tolk een spontaan optreden op de kade. Het is prachtig en de plaatselijke bevolking kijkt geboeid toe.

’s Middags terug in het hotel volgt er een discussie tussen de lokale schrijvers en de buitenlanders. Er wordt veel over geloof en censuur gepraat. Naar aanleiding van het contrast tussen de armoe op het eiland dat we bezocht hebben, en de bouw van een nieuwe dure moskee op het piepkleine eiland, terwijl er al een moskee was, stelt Gunduz de vraag: stel dat je kritiek zou willen leveren op de bouw van die moskee, zou je dat dan vrijuit kunnen doen? Een van de Indonesische schrijvers antwoordt dat hij zich vrij zou voelen om er een gedicht over te schrijven. Poezie blijkt hier de beste vorm om kritiek te leveren, zoals satire dat in Maleisie was. De Indonesiërs proberen het beeld te nuanceren dat het een onvrij land is, er bestaan sinds 1998 ook organisaties waarin homo’s en transseksuelen zich organiseren, en in de literatuur wordt er nu ook over deze zaken geschreven. ‘We voelen ons nu veel vrijer om te schrijven waarover we willen,’ zegt Lily. Een van de vrouwen – Ernie, een verlegen ogend meisje met hoofddoek – blijkt erotische gedichten en proza te schrijven. Abeer vraagt of haar ouders dat weten, Ernie antwoordt bevestigend. Abeer zegt onder de indruk te zijn: zelf draagt ze geen hoofddoek en wordt ze gezien als een vrije vrouw, maar ze houdt haar werk voor haar vader verborgen omdat ze weet dat hij het afkeurt. ‘I dare to provoke society, but not my dad.’

 Een andere Indonesische vrouw heeft meegewerkt aan Indonesische vagina-monologen, die als zeer schokkend en taboedoorbrekend werden ervaren, maar niet verboden. Dat je een hoofddoek draagt wil niet zeggen dat je niet over seks kunt praten. Literatuur is iets anders dan religie. Indonesie is het grootste islam-land ter wereld, maar het is een gematigde vorm van islam, die vrouwen toestaat om een maatschappelijke rol te spelen. De enige bedreiging vormen de radicale moslimorganisaties. Die houden wel filmvertoningen tegen, maar de literatuur wordt met rust gelaten.

Maaza vertelt dat er in Ethiopie geen vrouwelijke schrijvers zijn; dat vroeger moslims en christenen in goede harmonie samenleefden maar nu sinds een jaar of 12 niet meer, de samenleving is geradicaliseerd.

Gunduz haakt hierbij aan en vertelt over het proces van islamisering in Turkije: hoe de openbare ruimte kleiner wordt, hoe ook hij zijn gedrag op straat aanpast uit angst om iemand te beledigen en om die reden het mikpunt van agressie te worden. Als voorbeeld noemde hij het feit dat hij niet meer in het openbaar durft te eten tijdens ramadan. Als je een winkel hebt wil je bijvoorbeeld niet dat je dochter zich frivool kleedt want dan kopen ze niet meer bij jou. 

Het gesprek gaat verder over godsdienst en literatuur. Rodaan zegt: ik schrijf over de golven van de liefde, die zijn niet christelijk, niet moslim, niet nationaal, maar universeel.

s’Avonds zijn er weer optredens van buitenlandse en lokale schrijvers. Er is veel publiek – zo’n 300 man – en hoewel het weer in de openlucht is, is er nu een goede projectie mogelijk. Rodaan en zijn Indonesische nieuwe schrijversvriend en tolk maken er samen een enorme show van met gezang en al. Zelfs de taxichauffeurs blijven achter de heg stilstaan om toeschouwer te kunnen zijn van dit spektakel.

Na afloop bezoeken we met een stel Indonesische schrijvers, meisjes en de chauffeur een restaurant en een karaoke bar en hebben we urenlang ongelooflijk veel lol met het zingen van Engelse en Indonesische liedjes.

schrijverstournee Kuala Lumpur en Makassar juni 2011 dag 7

03-02-2012

Dinsdag 14 juni 2011

We bezoeken met de bus Galesong Village, een vissersdorp buiten Makassar. Een wandeling door het dorp loopt gigantisch uit omdat we ons met een onmogelijk groot en dus log gezelschap door het dorp bewegen en onderweg weer iedereen met iedereen op de foto moet.

Vervolgens krijgen we een schitterend muziekoptreden door de plaatselijke jeugd – een van de jongens zingt zo zuiver en mooi dat de tranen ervan in je ogen springen.

Na een kleine eenvoudige maaltijd ter plekke installeren we ons voor het optreden. Dat blijkt ook in de open lucht plaats te vinden. Het publiek – zo’n 100 man - bestaat ook grotendeels uit scholieren en analfabete vissers.

We moeten improviseren, want het licht is zo fel dat we geen teksten kunnen projecteren. Al gauw blijkt dat het geen zin heeft de voorbereide teksten voor te dragen. Die teksten zijn te moeilijk en duren te lang nu er getolkt moet worden, blijkt als Abeer als eerste een moeizame poging doet om haar tekst voor te dragen. Gunduz vertelt dus een mooi kort verhaal over een soldaat die een jaar lang de wacht houdt bij de toren van een prinses om na dat jaar met haar te mogen trouwen, maar die vijf minuten voor het verstrijken van de door haar geëiste termijn de benen nam. Het publiek is enthousiast over zijn verhaal, maar onthutst over de afloop. Maaza legt uit waar Afrika ligt en vertelt wat over het werk van een schrijver. Rodaan steelt opnieuw de show met zijn enthousiaste ‘Salem Aleikhem’ begroeting en met de Nederlandse en Arabische voordrachten van zijn poëzie. Er wordt veel gelachen en hard geklapt. We gaan tevreden weer terug naar Makassar.

’s Avonds vindt de officiële opening van het festival plaats, met honderden mensen aan tafels buiten aan het water in een romantische setting. Het programma duurt erg lang. Onze schrijvers houden ombeurten een kort praatje over hoe blij ze zijn over hun deelname aan  het festival in Makassar; Abeer zegt weer even iets over het Tahirplein en oogst ook hier een warm applaus, evenals Rodaan wanneer hij weer met veel succes een gedicht voordraagt.


met onze begeleiders bij het busje, achter mij Ton vd Langkruis, directeur Writers Unlimited, rechts Gunduz

schrijverstournee Kuala Lumpur en Makassar juni 2011 dag 6

03-02-2012

Maandag 13 juni 2011

’s Ochtends vroeg vertrekken we moe en tevreden naar het vliegveld en vliegen we naar Makassar, waar het volgende onderdeel van de tournee gaat plaatsvinden. Hoewel de afstand niet groot is, zijn we toch de hele dag onderweg. Aangekomen in Makassar moeten we omschakelen: het hotel is minder aangenaam dan in Kuala Lumpur – vieze lakens en handdoeken, moeilijker internetverbindingen, slechter ontbijt, minder gunstige ligging. Na dagenlang harmonie en vrolijkheid ontstaan nu als gevolg van de hitte en de vermoeidheid de eerste kleine wrijvingen, die gelukkig ook weer snel verdampen als de groep weer enigszins geacclimatiseerd is.

In het hotel krijgen we allemaal gehoofddoekte studentes toegewezen die optreden als onze persoonlijke begeleiders. Zij worden geacht onze vragen te beantwoorden, maar zijn daarvoor te verlegen of spreken te slecht Engels. Het onhandige van dit systeem is dat de groep waarin we ons bewegen ineens verdubbeld is in aantal – dit werkt erg vertragend. Maar alles went en al gauw vinden we een vorm om met deze meisjes om te gaan: we gaan steeds lachend met ze op de foto.

We krijgen heel even de tijd ons om te kleden en worden dan weer de bus ingestuurd voor de persconferentie en het kennismakingsdiner van alle betrokkenen bij het festival. Er wordt geen alcohol geschonken – even wennen voor ons soort mensen. Lily en Ton houden een openingsspeech, de schrijvers stellen zich voor aan de pers.


links organisator en schrijver Lily Yulianti Farid, met naast haar twee lokale schrijvers

Tijdens het voorstelrondje blijkt hoezeer onze groep schrijvers door de afgelopen dagen al op elkaar ingespeeld zijn geraakt: we spelen elkaar ballen toe die de volgende kan inkoppen en hebben de lachers al gauw op onze hand, waardoor het ijs meteen gebroken is.

Terug bij het hotel proberen we nog een avondwandeling te maken, met als bestemming een café waar bier te verkrijgen is. Het wordt een lange wandeling door een stad die wederom niet op voetgangers is ingericht, met langsstuivend verkeer en irritaties over de luidruchtige Australische die zich bij onze groep heeft gevoegd en voor wie met name Gunduz sterk allergische reacties vertoont. Ik moet hem beloven haar uit zijn buurt te houden, wat nog flink ingewikkeld blijkt want zij is net een kat die het liefst op schoot springt bij de grootste kattenhater in het gezelschap.

schrijverstournee Kuala Lumpur en Makassar juni 2011 dag 5

03-02-2012

Zondag 12 juni 2011

Uitstapje naar Antares, een dorp waar de indigenous tribe Temuan woont, en waar we kunnen zwemmen tussen de rotsen en de watervallen in het regenwoud. Gunduz vindt een groot blad dat hem eerst tot kuisheidsgordel dient en vervolgens als paraplu.



We drinken thee en maken muziek op de veranda bij de plaatselijke hippieschrijver met zijn tribale vrouw wier benen door lepra zijn aangetast, maar die desalniettemin indruk maakt met haar verschijning, al worden we het niet eens over de interpretatie van haar gelaatsuitdrukking: is ze nu trots of verdrietig? Vermaakt ze zich of verveelt ze zich dood?

Bij terugkomst brengen we een bliksembezoek aan de boekhandel in de twin towers van Kuala Lumpur, indrukwekkend hoge torens met daarin een superdeluxe winkelcentrum.

’s Avonds vindt het laatste programma-onderdeel van het festival plaats: optredens van alle betrokken schrijvers, internationaal en lokaal, zonder discussies of vragen. Het is een vol programma met 10 schrijvers en ook nog twee muziekoptredens, maar het verloopt strak en niemand neemt meer zendtijd dan de 5 a 7 afgesproken minuten. Het café zit vol, er zijn denk ik zo’n 75 a 100 mensen. Als uitsmijter van de avond volgt een band bestaande uit jonge meiden die ondanks verwoede pogingen tot het spelen van een punkachtig stoer repertoir aandoenlijk schattig zijn. We eindigen met de buitenlandse schrijvers in uitbundige vrolijkheid op het podium, dansend en meezingend met de band. Vervolgens gaan we uit eten en verkennen we het nachtleven van Kuala Lumpur. Wat opvalt zijn de sexy kleren waarin jonge meisjes zich kleden. We dansen in diverse café’s/clubs en liggen laat in bed.

schrijverstournee Kuala Lumpur en Makassar juni 2011 dag 4

03-02-2012

Zaterdag 11 juni

’s Ochtends zijn we weer vroeg  met de bus op pad voor het volgende optreden, tevens de officiële opening van het Writers Unlimited festival in Kuala Lumpur, in de Annexe Galery op de Central Market. Zowel ochtend als middagprogramma staan in het teken van het onderwerp Writing the truth – fact or fiction?

In de bus zit ook Dipika Mukherjee, een zeer aanwezige dame, die vertelt dat ze die ochtend ook een fragment zou gaan voorlezen uit haar nieuwe roman, maar dat dit een politiek gezien zo pikant fragment betreft, dat de organisatie haar gevraagd heeft haar fragment voor de middag te bewaren, na de lunch, als de sponsors (Nederlandse ambassadeur en de directeur van het Maleisische vertaalinstituut) vermoedelijk niet meer aanwezig zijn. Het blijkt om een fragment te gaan waarin op bedekte en kritische wijze wordt verwezen naar de moord op de minnares van de minister president. Dipika vindt het geen probleem dat haar optreden verplaatst wordt, maar het nieuwtje brengt onrust en verdeeldheid onder de schrijvers te weeg. Gunduz Vassaf stelt zich principieel op en vindt het ontoelaatbaar dat een nieuw festival al bij de opening zwicht voor censuur, en zich mogelijk zelfcensuur oplegt. Hij overweegt zich terug te trekken als we dit zomaar laten gebeuren. Rodaan vindt dat we ons er niet mee moeten bemoeien; als Dipika het uitstel acceptabel vindt, moeten wij er ook geen punt van maken; wij weten immers niet wat voor consequenties eea voor haar kan hebben.

 Uiteindelijk wordt na druk overleg met de organisatoren besloten dat Dipika haar fragment toch in de ochtend leest. Niemand reageert inhoudelijk op haar fragment, maar met name de buitenlandse schrijvers doen een paar mooie statements over vrijheid van meningsuiting. Maaza Mengiste zegt: ‘When the writers in a country remain silent we have lost everything.’ En Gunduz zegt: ‘When you loose your sense of humour everything is lost.’

Het onderwerp censuur komt die ochtend nog wel een paar keer expliciet aan de orde, wat spannend en bijzonder is in een land waar het geregeld voorkomt dat schrijvers of journalisten zonder enige vorm van proces gevangengezet worden als ze kritiek op de regering leveren. Uit het gesprek, en ook uit de voordrachten van lokale schrijvers onder wie met name Kee Thuan Chye en Uthaya Sankar, wordt duidelijk dat satire de vorm is waarin kritiek wordt verpakt.

Uit het publiek komt de vraag aan Dipika of het goed is dat in Maleisie zoveel satire wordt geschreven, of dat ze misschien toch realistischer zouden moeten schrijven. Ze antwoordt dat het voor haar makkelijker is om zich aan de satire te onttrekken, omdat ze zelf niet Maleisisch is maar uit India komt en een deel van de tijd in de VS woont. Ze zegt dat in China schrijvers momenteel mogen zeggen wat ze willen zolang ze het maar in het Engels doen, omdat er dan toch maar een heel klein clubje luistert. In India daarentegen wordt het steeds moeilijker zegt ze.

Dan volgt er een gesprek over het feit dat jonge schrijvers in Maleisie geen boodschap meer hebben aan het concept nationale identiteit, en dat ze meer op zoek zijn naar persoonlijke, individuele vragen en emotionele waarheden. Is dat een teken van blikverruiming of juist – vernauwing? De discussie hierover is voor de buitenlanders niet helemaal te volgen. Maaza heeft weer een mooie oneliner paraat: ‘Its the role of the writer to remain stateless.’   


vlnr: Abeer Soliman, Maaza Mengiste, Rodaan al-Galidi en Gunduz Vassaf

Er wordt ook gesproken over eendimensionaal denken in goed en kwaad, en hoe killing dat is voor het maken van goede literatuur. ‘Critizise your sense of truth otherwise your characters aren’t truthful’, zegt Gunduz en hij citeert ook Rimbaud: ‘I am my other also.’ Mengiste onderschrijft dit met het voorbeeld dat keizer Mengistu, die in Ethiopie veel mensen heeft laten ombrengen, twee kinderen heeft die de aardigste en meest genereuze mensen zijn die je maar kunt ontmoeten. Dat een monster als hij twee engelen kan voortbrengen, geeft te denken over goed en kwaad.

Tijdens de lunch vindt een boekpresentatie plaats en worden er opnieuw fragmenten voorgelezen in het Indonesisch.

Tijdens het middagprogramma volgen meer voordrachten en discussies. In overleg met de moderator wordt een andere werkwijze gehanteerd: niet eerst alle voordrachten en dan pas discussie, maar de voordrachten door de gesprekken heen weven. Dat werkt veel beter.

Abeer vertelt over haar aanwezigheid op het Tahirplein en ontvangt een warm applaus. Ze vertelt dat zij schrijft over werkelijke gebeurtenissen, maar er wel mee speelt om er een goed verhaal van te maken. Overigens ziet zij zichzelf niet als schrijver, maar als verhalenverteller. Ze vertelt hoe ze voor de revolutie als vrouwen waren overgeleverd aan sexual harrassment, en hoe ze onder de indruk was van het feit dat op het Tahirplein met al die duizenden mensen bij elkaar geen vrouw werd lastig gevallen.  Sinds afgelopen jaar hebben veel vrouwelijke bloggers hun boeken gepubliceerd en zijn er twee vrouwelijke presidentskandidaten.

De Maleisische Chuah Guat Eng zegt dat alles wat een mens onder woorden brengt fictie is, een constructie. Het begrip Waarheid is zo groot dat het niet onder woorden gebracht kan worden. Veel feiten zijn fictie. Het doel van fictie is volgens haar om mensen te helpen om op een andere manier te denken en naar de wereld te kijken. Zelf wil ze de wereld altijd op eindeloos veel verschillende manieren bekijken, dat is voor haar een tweede natuur. Er zijn zoveel visies mogelijk dat zij er geen eenduidige mening op na kan houden: ‘I write fiction because I am incapable of having an opinion.’


links een studente, rechts de Maleisische schrijfster Chuah Guat Eng

Moet je schrijven over wat je kent, of kun je ook schrijven over wat je niet kent? Chuah Guate Eng haalt Toni Morrisson aan, die zegt dat schrijven over wat je niet kent je horizon verbreedt. Chuah doet nog een mooie uitspraak over wat inspiratie is: ‘An idea comes to my head when meaning touches me.’

Rodaan krijgt uit de zaal de vraag hoe hij naar Nederland is gevlucht. Hij vertelt een grappig verhaal over valse paspoorten en zijn eerste kennismaking met Nederland. De vragensteller concludeert uit zijn vrolijke reactie dat hij veel geluk heeft gehad. Dan zegt Rodaan serieus: ‘Nee, u vergist zich. Maar ik heb besloten een positieve instelling te hebben, want ik weiger om me verzuurd of verbitterd te laten maken.’ Zijn opmerking maakt indruk, evenals zijn poëzie-voordracht waarmee de dag wordt afgesloten – met een daverend applaus door een afgeladen volle zaal – ik schat weer zo’n 150 mensen publiek.

De avond mogen we vrij besteden. Maaza, Abeer ,Gunduz en ik bezoeken een schitterende mimevoorstelling. Na afloop willen de acteurs met ons op de foto, en het publiek ook, alsof wij de sterren van de avond zijn in plaats van de acteurs. Dit ritueel zal zich nog vele malen herhalen tijdens deze reis.


schrijverstournee Kuala Lumpur en Makassar juni 2011 dag 2

03-02-2012

Donderdag 9 juni

Aankomst ’s ochtends vroeg in Kuala Lumpur, waar Gunduz Vassaf net een half uur eerder is gearriveerd. We worden opgewacht door een chauffeur die ons met de bus naar het hotel brengt. In de bus vertelt Ton een prachtig verhaal over een oude Nederlandse vriend die het dertig jaar terug had aangelegd met een Griekse vrouw, voor wie de familie een andere, Griekse echtgenoot in gedachten had. De vrouw trouwde met de Griek, en de Nederlander kreeg een vakantiehuis op de Peleponesus cadeau. We speculeren er lustig op los: was het huis bedoeld als troostprijs, of als zwijggeld? En waarom had de Nederlander het aangenomen?

Het hotel is heel aangenaam, kleinschalig, veel natuurlijke materialen. Grote verrassing: op de kamers is er een groot tv-scherm mét internetverbinding aanwezig.

We hebben nog geen van allen veel zin om te gaan rusten en verkennen gevieren de stad. We lopen door de drukkende hitte naar de Central Market en komen niemand anders tegen die zo gek is om zich lopend door de stad te verplaatsen. De markt zelf blijkt overdekt en heerlijk koel. Rodaan onderhandelt vrolijk maar scherp met verkopers van sierraden en kleurige sjaals en stelt Ton aan iedereen voor als zijnde zijn vader. Dat blijft de rest van de dag een running gag.

In een van de standjes is een waterbassin vol zwarte krioelende vissen, die tegen betaling het eelt van je tenen en voetzolen af knabbelen. Het kriebelt verschrikkelijk en ik krijg er de slappe lach van. Ton legt dit wreed vast met zijn camera, om me er later publiekelijk mee te kunnen vernederen of chanteren. De beheerster van deze bijzondere attractie laat ons ook nog even voelen aan haar zijdezachten voetzolen en onderarmen, als bewijs dat het écht werkt.

Nadat Gunduz en ik een klein cameraatje hebben aangeschaft en Rodaan de zoveelste verkoopster tevergeefs ten huwelijk heeft gevraagd, gaan we terug naar het hotel.


verkoopster die zojuist door Rodaan ten huwelijk is gevraagd

We ontmoeten daar Bernice, de organisator van het eerste Writers Unlimited festival in Kuala Lumpur en gaan met haar lunchen bij een van de straatkraampjes. Ze geeft ons informatie over het programma van de komende dagen en overhandigt iedereen een mapje waarin alles nog eens keurig op papier staat.

Na de lunch arriveren ook Maaza en Abeer in het hotel.

Rodaan en Ton gaan met de bus naar een radio-studio voor een interview met Amir Muhammad en Dipika Mukherjee, een van de lokale schrijfsters die deelneemt aan het festival. 

's Avonds eten we met elkaar en Bernice weer bij een van de straatkraampjes – het eten is er uitstekend: veel rijst, kip, garnalen, vis.

Na het eten geven Maaza, Abeer, Gunduz en ik ons over aan een voetenmassage door onverstaanbare Chinezen in een zaakje naast het hotel, een van de ontelbare massageshops die Kuala Lumpur rijk is.


schrijverstournee Kuala Lumpur en Makassar juni 2011 dag 1

03-02-2012

Woensdag 8 juni

Vertrek om 12 uur vanuit Schiphol met Ton, Judith en Rodaan Al-Galidi. We drinken nog even koffie met Mireille Berman van het Fonds voor de Letteren, die op weg is naar Londen en voor ons nog een in het Indonesisch vertaald kinderboek bij zich heeft: Brief aan de Koning. Lily (organisator van het festival in Makassar) heeft ons speciaal verzocht kinderboeken mee te nemen, dus ik heb ook nog twee boeken van Dick Bruna en een van Max Velthuis in de koffer mee, naast een gerookte en goed vacuum verpakte haring voor het visdiner van de laatste avond.

Rodaan vertelt ons hoe hij destijds vanuit Irak naar Nederland is gevlucht en hoe zijn humor hem door diverse controles heen loodste. Zijn humor blijkt ook tijdens deze tournee een wondermiddel. Niemand die zo positief en zo communicatief is ingesteld als Rodaan al-Galidi, een dichter die eigenlijk geen taal nodig heeft om mensen te raken omdat zijn lichaamstaal boekdelen spreekt.



met Gunduz Vassaf en Rodaan Al- Galidi

Elfenpower

02-06-2009

Mijn ene dochter houdt niet van fietsen en mijn andere dochter houdt niet van zand. Dus moet ik bij mooi weer soms iets anders verzinnen dan naar het strand of de duinen fietsen. Afgelopen weekend was het  mooi weer. Dus wij op zoek naar vermaak in een Haarlems park, waar De Dag van het Park werd gevierd.
We zagen twee glanzend witte paarden die als gevleugelde eenhoorns waren verkleed, met daarop twee meisjes in zilverwitte elfenkleding. Ze staken sprookjesachtig licht af in het zonlicht tegen het frisse groen van de bomen. Onze dochters van 9 en 11 vonden het allemaal heel kinderachtig, maar bleven toch langer dan strikt noodzakelijk staan kijken naar de voorstelling. Een derde elfenmeisje, dat tussen de eenhoorns en het publiek op de grond stond, blies de aanwezige peuters elfenpower toe, waarmee de kinderen, met één klap in hun handen, de twee eenhoorns een rondje konden laten draaien. Na elke geslaagde tovertruuk riep het elfenmeisje triomfantelijk: Elfenpower!
We dwaalden nog wat door het park, kregen ruzie omdat onze dochters zelfs hier niets leuk vonden, en besloten toen maar weer naar huis te gaan. Bij de uitgang van het park stonden we nog even te kijken hoe de eenhoorns weer in paarden veranderden. De vleugels werden zorgvuldig opgevouwen en verdwenen in een speciaal daarvoor bestemde kist; voor de hoorn was er een koker. De paarden stonden er naakt bij. Ineens zagen we hoe onderaan de buik van het paard een roze steel begon te groeien en de vormen van een gigantische stamper aannam. Ik keek opzij of mijn dochters het ook zagen. En ja hoor, ze stootten elkaar aan en wezen elkaar breed grijnzend op dit machtige verschijnsel. Eindelijk viel er iets te beleven. Triomfantelijk verklaarde mijn jongste dochter dit wonder aan haar zus: Elfenpower.

Stofzuiger van levensverhalen

03-03-2009

Vlak voor het avondeten glipte ik nog even naar buiten om sambal te halen voor onze gado gado. Toen ik geruime tijd later met mijn boodschappentas terugkeerde, vroegen man, vrienden en kinderen ongeduldig waar ik al die tijd had uitgehangen. 'Zeker een biertje gaan drinken met die leuke skileraar!'  zei mijn man quasi-jaloers. 'Of een lekkere crepe gaan eten in het dorp!' vermoedde mijn jongste dochter die dat zelf blijkbaar graag had willen doen.
We logeerden bij een bevriend gezin, dat beschikt over de luxe van een eigen appartement  in een Zwitsers bergdorp. Elk jaar worden we hier hartelijk verwelkomd door het Spaanse conciërge-echtpaar van het complex. De vrouw des huizes doet meestal het woord; haar teruggetrokken echtgenoot scharrelt altijd wat rond in het halfduister achter haar.
Zij heeft piekerig haar en een wat slonzig uiterlijk, maar een heel vriendelijke uitstraling. Ze informeert altijd geïnteresseerd naar mijn kinderen, met wie ze zich verwant voelt omdat die oorspronkelijk ook uit een Spaanstalig land afkomstig zijn. Elk jaar constateert ze met enige spijt dat ze nog altijd niet behoorlijk Spaans spreken.
Ook nu informeerde ze naar de kinderen. Ze stond de gang te dweilen, maar zette haar dweil speciaal even tegen de muur om naar mijn antwoord te luisteren. Ik liet mijn boodschappentas met het potje sambal en andere overbodige inkopen dus ook maar even op de grond zakken en vertelde dat het met allebei erg goed ging. Dat de jongste net negen was geworden en dat de oudste van elf nu al in de puberteit kwam. Dat kende ze wel. Haar dochter, nu achttien, was nog steeds heel lastig, en ook met haar zoon van zestien had ze veel te stellen. 'Ik denk dat ik ze te beschermd heb opgevoed,' zei ze. 'Hoezo dan?' vroeg ik belangstellend. Het licht in de gang, dat automatisch is afgesteld, floepte ineens uit. Zij drukte snel op het lichtknopje. 'Mijn oudste dochter is omgekomen door een auto-ongeluk. Ik was hoogzwanger van de tweede. Daarna was ik altijd bezorgd dat mijn andere kinderen iets zou overkomen. Dat nemen ze me kwalijk. Ze vinden dat heel benauwend.' Ik voelde dat ik nu naar het gestorven kind moest vragen. 'Is het hier in het dorp gebeurd?' vroeg ik.
'Ja', zei ze. 'Mijn man kwam terug van zijn werk. Zij wilde hem tegemoet lopen, en ik vond dat goed. Ze was acht, en ze wilde graag alleen naar buiten. Ze zag hem aan de overkant van de straat en rende naar hem toe. Het was tegenover het toeristenkantoor Ik vermijd die plek nog altijd.' Ik vroeg me af hoe ze daarin slaagde, want het was de hoofdstraat van het dorp. Het licht floepte weer uit, en nu was ik degene die het weer aandeed. 'Mijn man wilde haar in Spanje begraven, maar ik kon de gedachte niet verdragen dat ze zo ver bij me vandaan was. Bovendien mocht ik niet in het vliegtuig omdat ik zeven maanden zwanger was. Dus hebben we haar hier begraven.'
Ze was even stil. Ik realiseerde me dat ze boven op me zaten te wachten, maar ik durfde het gesprek nu niet af te breken. Haar ogen stonden vol tranen, en de mijne trouwens ook. Ik omhelsde haar en zei: 'Wat heb jij het zwaar gehad.' Ze knikte en vervolgde: 'Vorig jaar reorganiseerden ze het kerkhof en zou er iemand vlak bij haar komen liggen. Ik wilde niet dat ze haar plek met iemand anders moest delen. Toen hebben we haar  alsnog naar Spanje gebracht. Daar hebben we een familiegraf. Mijn man heeft daar ook een huis laten bouwen.'
'Wanneer gaan jullie daar wonen?' vroeg ik. 'Ik weet het nog niet', zei ze mismoedig. 'We overwegen het te verkopen. De kinderen willen niet terug naar Spanje. Zij hebben hun leven en hun vrienden hier.' Het werd weer donker. Nu duurde het even voor zij het initatief nam op de knop te drukken. De natte vloer was inmiddels opgedroogd. 'Toen we naar Spanje gingen om haar opnieuw te begraven hielden we daar een familiereünie. Ik ben de jongste uit een gezin van zeven kinderen. We zijn allemaal uitgewaaierd over de wereld. De een woont in Brazilië, de ander in Duitsland. Het was fantastisch om ze allemaal weer bij elkaar te hebben.' Haar gezicht kreeg weer een opgewekter uitdrukking. 'Mijn oudere broers en zussen haalden allemaal herinneringen op,' vertelde ze. 'Er werd veel gelachen. Ik lachte mee, maar ik herinnerde me van vroeger eigenlijk alleen nog dat er steeds weer een broer of zus naar het buitenland vertrok. Ik moest ze allemaal opnieuw leren kennen.'
Voor de laatste keer drukte ik op het lichtknopje. 'Ik moet naar boven,' zei ik, 'ze wachten op me met het eten.'
In de warme geborgenheid van ons appartement deed ik het verhaal van mijn ontmoeting met de conciërge. Mijn geliefde vroeg weer quasi-jaloers: 'Wat heb jij toch dat mensen altijd hun hele doopceel bij jou lichten? Jij bent gewoon een stofzuiger voor levensverhalen!'

Fay Weldon en Kristien Hemmerechts

26-02-2009

Fay Weldon is 78 jaar en slecht ter been, maar scherp en witty as ever. Kristien Hemmerechts ondervroeg haar gisteren in Pakhuis de Zwijger over haar nieuwste roman Dagboek van een stiefmoeder. Het was alweer de laatste Read my Lips avond in deze reeks. De zaal zat bomvol met zo'n 150 vrouwen en een enkele man. Weldon's vierde of vijfde echtgenoot, die  wel aanwezig was bij het etentje vooraf, mocht van Fay niet bij het avondprogramma zijn. 'Dan kan ik niet vrijuit liegen,' verklaarde ze desgevraagd. De artistiek ogende man - een stuk jonger dan Fay, kaal, bril met zwart montuur, vrolijk tropisch groen shirt met rode chilipepers - leek er niet mee te zitten. Tijdens het eten vertelde hij me enthousiast dat hij zijn shirt had gekocht in een zaak waar ze alleen maar attributen met rode chilipepers verkochten. Verder ging het tafelgesprek over moeders die de dood van hun kinderen hadden veroorzaakt. Door de zwarte humor en Engelse understatements die over tafel werden gestrooid droeg dat gruwelijke onderwerp bij aan de feestvreugde.
Kristien hield een schitterende inleiding over het werk van Fay Weldon en liet zich niet uit het veld slaan door de haperende microfoons als gevolg van een kortsluiting. Gelukkig was het probleem hersteld voordat Fay met haar zachte stemgeluid het woord kreeg.
Fay vond dat kinderen de grote verliezers zijn in de huidige trend van scheidingen en nieuw samengestelde gezinnen. Zij moeten zich voegen naar de grillen van hun ouders, en eenmaal volwassen zich ongans eten bij al die kerstdiners van nieuwbepartnerde ouders en schoonouders. Stiefkinderen hebben het niet makkelijk en maken het hun stiefouders dus ook niet makkelijk. Zelf vond ze achteraf dat ze haar stiefdochter te dicht op haar huid had gezeten, door te proberen een vervangende moeder voor haar te zijn. De dochter was van huis weggelopen en op haar zestiende een eigen gezin begonnen. 'Maar een gezin met ouders die wel bij elkaar blijven kan ook heel beklemmend zijn,' wierp Kristien tegen, en ze vroeg Fay hoe het dan wel moest. 'Have affairs!' was Fays montere advies.
Uit de zaal kwam de vraag of Fay zichzelf als feministisch bestempelde. Met pretoogjes en een uitgestreken smoel zei ze: 'Yes I am a feminist. Alleen hebben duizenden andere vrouwen vreemd genoeg een andere opvatting van feminisme. Die zullen het dus wel bij het verkeerde eind hebben.'

Julia Franck en Rascha Peper bij Read my Lips

25-11-2008

Ik kom net tot de ontdekking dat je via de Read my Lips agenda op de website van Women Inc http://www.womeninc.nl/?nid=57 kunt doorklikken naar mijn blog, terwijl ik hier over dwerghamsters en zuchtmeisjes babbel, en nog geen enkel verslag heb gedaan van de laatste bijeenkomsten. Gauw goed maken!
Het nieuwe seizoen opende in september met Rascha Peper en Julia Franck, geïnterviewd door Hassnae Bouazza. Hassnae bleek een uitstekende moderator, onbevangen en oprecht nieuwsgierig. Beide auteurs bekeken in hun nieuwste boeken de wereld vanuit kinderperspectief; en beiden zagen een wereld vol seks, dood en eenzaamheid. Peper weet in haar boek heel mooi de ervaringen van een meisje uit de 18de eeuw te vervlechten met die van een jongetje uit onze tijd. Beiden wonen op de Bloemgracht in Amsterdam. Het meisje heeft haar familie verloren en woont in bij de familie Ruysch, waar niet alleen dieren maar ook ongeboren kinderen op sterk water worden gezet; de jongen is kind van gescheiden ouders en heeft dezelfde fascinatie voor dit geconserveerde dode leven als het meisje. De herinneringen aan opmerkingen van haar eigen zoon, toen hij tien was, hadden Rascha Peper geholpen zich in te leven in de jonge hoofdpersonen van Vingers van marsepein. Haar zoontje had haar als tienjarige bijvoorbeeld gevraagd waar de uren bleven als je in een vliegtuig naar een gebied met een andere tijdzone vloog.
Julia Franck, van een jongere generatie, putte voor haar boek De middagvrouw juist uit de jeugd van haar vader. Hij was in de oorlog als jongetje door zijn alleenstaande moeder in de steek gelaten. Ze liet hem op een perron achter met de woorden: 'ik kom zo terug', om voorgoed uit zijn leven te verdwijnen. Julia Franck vertelde hoe deze traumatische ervaring haar vader had getekend, en hoe hij er later ook niet in slaagde een echte vader voor haar te zijn, zodat ook haar moeder haar als alleenstaande moeder had opgevoed. Die was daar trouwens evenmin erg goed in geweest. Julia Franck op haar beurt was nu zelf ook weer een single mom. Gelukkig was haar eigen ex wel betrokken bij de opvoeding van hun twee kinderen.
Haar persoonlijke verhaal maakte veel indruk. En haar verschijning trouwens ook. Julia Franck heeft prachtig lang zwart haar en een heel zwoele stem, die Hassnae Bouazza deed verzuchten dat als ze op vrouwen viel...
Ja Hassnae, ik ook!

Meer lezen over Julia Franck? Mijn interview met haar in NRC van 26 september vind je op http://docs.google.com/Doc?id=dg652c5d_159fmz27gcq

Dwerghamsters zijn slimmer dan je denkt

20-11-2008

Een huis vol dieren: het idee is best romantisch. Zolang het maar niet mijn huis is dat stinkt naar kattenpis, waar de vlooien naar je benen happen en de uitgevallen haren aan je trui kleven. Jarenlang heb ik de kinderen wijsgemaakt dat ik allergisch was voor huisdieren. Toen ze ontdekten dat die allergie niet lichamelijk, maar geestelijk was, kwam het offensief goed op gang. Vriendinnetjes van school hadden thuis een hond, twee poezen, drie konijnen en vier hamsters en vijf vissen. Bij die vriendinnetjes thuis was het veel gezelliger dan bij ons. Zij verveelden zich nooit. Als ze niemand hadden om mee te spelen, dan gingen ze niet zeuren, maar vermaakten zich met hun dieren.
Eerst wilden mijn dochters een hond. Toen ik ze vertelde over de hoeveelheid werk die een hond met zich meebrengt, krabbelden ze terug. Dan wilden ze wel een poesje. Niet liever een wandelende tak of een goudvisje? opperde ik schijnheilig. Maar nee, het huisdier moest op zijn minst aaibaar zijn. Na enig onderhandelen wist ik de schade te beperken tot twee dwerghamsters. Onlangs zijn Hammie en Strombolie bij ons ingetrokken. Ik moet toegeven dat ze klein zijn, maar van de juffrouw van de kinderboerderij waar we ze gingen halen, moesten ze in een heel groot hok, anders was het zielig. Ze liet ons niet gaan voordat we er twee gekocht hadden, want ze mochten niet in hetzelfde hok, dan zouden ze gaan vechten. We moesten ook nog papieren tekenen waarin we beloofden dat we bij ziekte naar de dierenarts zouden gaan. Het ketste nog bijna af op mijn onvermogen de naam van de dierenarts te noemen, maar ik redde me eruit door geïnteresseerd te informeren welke dierenarts de beste was. De hamsters zelf lachten zich intussen gek.
De hele middag waren we bezig met het installeren van de twee paleizen van onze nieuwe bewoners. Molentjes, trapjes, huisjes, toiletten, bakjes om uit te eten en druppelflesjes om uit te drinken, het mocht ze aan niets ontbreken. Het kroonstuk was een voor een normaal, ongeduldig mens nauwelijks in elkaar te zetten buizensysteem dat zich om het hok heen slingerde, als de buitenboordglijbaan in een tropisch zwembad. Wij dachten dat deze plastic rups bedoeld was om Hammie en Strombolie naar hartelust in te laten klimmen. Maar de hamsters hebben zo hun eigen opvattingen over de functie van de buizen. Als je het hoogste punt opzoekt en daar plast, geeft dat een machtig gevoel! En als je het maar vaak genoeg doet, blijft het resultaat ook op langere termijn zichtbaar!  Dwerghamsters zijn slimmer dan je denkt.
's Avonds vertrek ik opgelucht naar mijn heilige sportavondje. Terwijl ik me in de kleedkamer in mijn sportkleding hijs, belt mijn oudste dochter Luisa mij in tranen op. Hammie is ontsnapt! We kunnen hem nergens meer vinden! Wil je alsjeblieft thuiskomen om hem te zoeken? Ik ben zo bang dat ik per ongeluk op hem trap! Als ik hem niet vind kan ik echt niet slapen!
Zuchtend fiets ik weer naar huis. Na een uur zoeken vinden we Hammie triomfantelijk grijnzend onder het bed. Het is waar: met zo'n huisdier hoef je je nooit  te vervelen.

Wiegedood

13-10-2008

Onlangs werd een nichtje van mij getroffen door een grote ramp. Ze ging haar zes maanden oude baby ophalen bij de creche. De leidsters zeiden dat het kind nog sliep. Ze besloot eerst maar haar driejarige dochtertje op te halen, en dan terug te komen voor de baby. Toen ze terugkwam lag het kind nog altijd stil in zijn ledikantje. Bij nadere beschouwing bleek hij dood. Wiegedood. Haar man was in Genève voor een congres van zijn werk. Hij kon op dat moment geen vliegtuig terug krijgen. Een vriend reed hem met de auto terug naar Amsterdam. Zijn vrouw heeft dus nog vrijwel de hele nacht op hem moeten wachten.
Op de begrafenis verzekerden de ouders van het kindje de aanwezigen dat niemand enige schuld trof. Achter mij stonden de crecheleidsters luidkeels te snikken. Naast het afschuwelijk kleine kistje waren dia's te zien van het blakend gezonde baby'tje in de armen van zijn trotse zusje, en van zijn stralend gelukkige moeder en vader. Het was niet om aan te zien.
Toen buiten de balonnen waren losgelaten mochten we de ouders condoleren. Wat moet je dan in godsnaam zeggen. Ieder troostend woord klinkt zo godvergeten aanmatigend, en toch, je bent gekomen om te troosten.
Mijn oom, die net als ik de baby nog niet in levende lijve had gezien, probeerde ze een compliment te maken over de wijze waarop ze de begrafenis vorm hadden gegeven. 'Mooi dat jullie die foto's lieten zien. Daardoor gaat het allemaal veel meer ... leven,' wilde hij zeggen, maar vlak voordat hij dat laatste woord uitsprak realiseerde hij zich de misplaatstheid ervan. Hij onderbrak zichzelf en begon zijn zin opnieuw: 'Daardoor krijg je er veel meer een beeld bij.' De vader van het kindje bedankte hem beleefd. 'We vinden het fijn en heel dapper dat er zoveel mensen zijn gekomen,' zei hij vriendelijk. Hij leek zich te schamen over het ongemak dat hij de gasten bezorgde door ze met een dode baby te confronteren. Het is ook genant. Kinderen horen niet dood te gaan. Het zou bij de wet verboden moeten worden.

Pleegmoeder

16-09-2008

Onlangs maakten we ons eerste straatfeest mee in de straat waar we nu een jaar wonen. Ineens bleken er nog veel meer kinderen in de straat te wonen dan mij tot nu toe was opgevallen. Ik kende de meeste leeftijdgenootjes van mijn dochters, maar nu kwamen er ook allerlei bleke, slungelige pubers vanachter hun computers vandaan naar buiten, en kropen baby's en peuters uit hun boxen de straat op, in het kielzog van hun moeders.
Een leeftijdloze vrouw met een sprekend gezicht en mooi dik zwart haar droeg een slapende peuter van ongeveer een jaar met zich mee, op zijn Afrikaans in een doek op haar heup. Ik complimenteerde haar met haar mooie dochter. De vrouw nam het compliment lachend in ontvangst, en vertelde toen dat het meisje met de blozende wangen haar pleegdochter was. 'Dit is mijn veertiende pleegkind. Ik doe tijdelijke opvang van baby's waarvan de ouders niet in staat zijn het kind zelf te houden, meestal drugsverslaafden. Ik heb zelf al vier eigen kinderen grootgebracht, dus ik hoef niet zo nodig nóg eens met een kind naar zwemles. Doe mij maar baby's, dat vind ik heerlijk. Wat ik erin stop haalt niemand er meer uit. Dit meisje was er slecht aan toe toen ik haar kreeg. Ze huilde niet eens meer en ze was zo slap, dun en bleek dat je er bijna doorheen keek. Ik draag ze altijd zoveel mogelijk op mijn lichaam, ik laat ze op mijn buik slapen, en ik troost ze altijd als ze huilen. Vroeger gingen ze dan als ze een maand of drie waren weer helemaal opgelapt naar het vaste pleeggezin. Maar nu zijn er zo weinig pleeggezinnen dat zij nog steeds bij me is. Het duurt veel te lang. Het afscheid wordt voor ons allebei een ramp als ze straks uiteindelijk toch een gezin voor haar vinden. Maar ik kan haar ook niet houden, ik ben al over de vijftig, straks ga ik dood als zij in de puberteit is.
Als een kind eenmaal in een pleeggezin is geplaatst, heb ik er geen contact meer mee. Een keer heb ik wel contact gehouden, maar ik kon het niet aanzien hoe afstandelijk zij met dat kind omgingen. Zelf doe je het toch altijd beter, vind je. Het contact verbreken is beter voor iedereen. Het is al verwarrend genoeg voor de kinderen. En dan heb je ook nog de biologische ouders, die een bezoekregeling hebben; soms gaat zo'n kind na een tijdje weer naar hen terug. Dat gaat dan heel vaak mis, en dan moet er weer een volgend pleeggezin worden gezocht.
Soms denk ik dat er te veel rekening wordt gehouden met de biologische ouders. Als ze het kind bij de geboorte willen afstaan, zegt Kinderbescherming tegenwoordig altijd dat afstaan niet hoeft, en dat ze ook voor een pleeggezin kunnen kiezen. Dan kiezen die ouders natuurlijk altijd voor het laatste, terwijl er nauwelijks pleeggezinnen zijn en wel heel veel mensen die een baby willen adopteren.
Een geadopteerd kind is vaak beter af. Dat blijft zitten waar het zit. Al dat gezeul met een kind doet zoveel kwaad.'
Ze aait het kind op haar heup liefdevol over haar hoofdje. Het meisje wordt wakker en wrijft haar ogen uit. Nieuwsgierig en tevreden kijkt ze om zich heen, lekker veilig vanuit de draagzak. Het is feest!

Sero-positief

15-09-2008

Soms heb je van die onverwachte ontmoetingen die diepe indruk maken. Soms heb je ze zelfs tijdens een feestje. Op zeker moment arriveerde er een mooie, nog vrij jonge vrouw met lang blond haar, aan de arm van een al even knappe jongeman met donkere lokken. Ze zagen er stralend en goed gekleed uit, zo'n stel dat alles in het leven mee heeft, zondagskinderen, nog geen krasje op de ziel. Ik hoorde haar zeggen dat ze een marketingbedrijf had en zojuist een woning in Bloemendaal had gekocht. Dat paste helemaal in het plaatje; jong, mooi, succesvol en rijk. Niet iemand naar wie ik nieuwsgierig was. Tot Evelien, de gastvrouw, haar lachend voorstelde door te vertellen dat ze met haar in een studentenhuis had gewoond, en dat dit ronduit een ramp was geweest. Belangstellend informeerde ik bij de blonde vrouw naar de rampzalige geschiedenis van hun vriendschap. Die begon meteen vrolijk te vertellen: Evelien was veel serieuzer dan zij, zat altijd binnen en sliep wel 9 uur per nacht. Zijzelf vond slapen zonde van de tijd, ze ging uit tot diep in de nacht, nam vrienden mee naar huis die zich afdroogden met al Eveliens handdoeken, nadat ze zich in de gezamenlijke keuken tegoed hadden gedaan aan al Eveliens eten, of ze waren zo dronken dat ze dwars door de glazen deur van Eveliens kamer heen bij haar in bed vielen. We lachten en praatten verder: ze deed marktonderzoek naar consumptiegedrag en verdiende daar goed mee, maar ze wilde er nu mee ophouden omdat het nergens over ging. Ze wilde gaan werken met kanker- en aidspatiënten. Ze wilde mensen die tegen alle verwachtingen in deze ziektes hadden overleefd weer op weg helpen bij het hervatten van hun leven en hun werkzaamheden. Ze zou dan geen vaste uurtarieven gaan hanteren, maar het Afrikaanse systeem instellen: mensen zelf laten bepalen wat ze kunnen missen en wat ze voor je behandeling over hebben. De cynicus in mij riep onmiddellijk dat mensen die het breed hebben, doorgaans weinig willen geven, terwijl mensen die het niet breed hebben, weinig kunnen geven. Zij wuifde mijn bezwaren weg, ze zou wel zien hoe het liep. Ze gaf niet om geld, en wat heb je nu eigenlijk helemaal nodig. Soms had ze veel geld gehad, soms weinig; de tijden met weinig geld waren de meest gelukkige geweest. Nu wilde ze graag iets doen waarbij ze echt iets voor anderen kon betekenen. Het spottende stemmetje in mijn achterhoofd bleef zeuren: jij hebt natuurlijk genoeg achter de hand om je niet om geld te hoeven bekommeren. Dan is het makkelijk om de weldoener uit te hangen.
Toen vertelde ze hoe ze tot haar beslissing was gekomen. Ze was al heel lang sero-positief en had op het randje van de dood gebalanceerd. De arts had letterlijk met de euthanasie-naald in de aanslag gestaan. Haar familie en vrienden stonden om haar bed om afscheid te nemen. Maar toen had de arts gezegd: 'Volgens mij zie ik toch nog iets van twijfel in je ogen. Zullen we het nog een week uitstellen?' 'Als hij gevraagd had of we het een jaar zouden uitstellen, had ik gezegd: nee, doe het nu maar meteen. Maar een week lijden, dat kon ik nog wel overzien, dus ik zei ja. In die week hebben ze alles op me uitgeprobeerd, het ene medicijn na het andere. Het maakte niet meer uit hoe zwaar het was of hoeveel bijwerkingen het had, ik zou de week daarop toch euthanasie krijgen. Maar de vierde dag begon een van die medicijnen aan te slaan. Ik was broodmager, zat in een rolstoel, kon niets meer zelf. Ik heb opnieuw moeten leren lopen, opnieuw leren eten, opnieuw leren leven.
Dat is alweer jaren geleden. In die tussentijd heb ik nog een paar keer een flinke terugval gehad. Het is niet normaal om zoiets meer dan eens mee te maken. Nu gaat het alweer een paar jaar goed met me en ik ben blij met mijn leven, maar als ik toen die spuit wél had gekregen was het ook goed geweest. Ik was wel jong, maar ik had toch al een mooi leven achter de rug.
Het is moeilijk om je leven weer op te pakken als je je eenmaal hebt ingesteld op doodgaan. Ik denk dat ik andere mensen in soortgelijke situaties goed op weg kan helpen omdat ik weet waar ze het over hebben. Mensen met aids schamen zich vaak diep, ze voelen zich vies. Dan vraag ik ze: vindt u mij dus ook vies? Nee, u niet, natuurlijk, zeggen ze dan. Wilt u dan de volgende keer als u zichzelf weer vies dreigt te gaan vinden, eerst aan mij denken?'
Ik kijk naar het aantrekkelijke blonde gezicht, dat zo overloopt van levenslust.
'Wij hebben ook nog geprobeerd om kinderen te adopteren', zegt ze spijtig, met een blik op mijn donkere dochter. 'Maar we hebben geen toestemming gekregen vanwege de hiv. Ik had zelf, met de huidige medicijnen, best een kind kunnen krijgen zonder de ziekte over te dragen. Maar ik had de pech dat ik op mijn 33e vervroegd in de overgang ben geraakt, toen mijn toenmalige man stierf. In één nacht werd ik grijs én belandde ik in de overgang. Ik geloofde daar nooit in, maar dat kan dus echt.' Ze lacht naar me, een mooie lach vol berusting, waar een onverwoestbare vrolijkheid doorheen breekt. Ik schenk haar en mezelf nog een glas rode wijn in en we drinken op het leven. Bij het afscheid omhels ik haar. 'Het was goed je te ontmoeten', zeg ik, en ik meen het.

Van Gelderen en Duyvendak hebben gelijk

08-09-2008

Nu Oscar van Gelderen uit de kast is gekomen, terwijl die tenslotte nog wel een maatschappelijke functie bekleedt, zal ik het ook maar bekennen: ook ik zat veertig jaar na dato in het verzet. In tegenstelling tot Duyvendak heb ik geen last van reuma en kon ik prima stenen gooien en dan heel hard weg rennen. Ik deed het natuurlijk alleen tegen de gepantserde wagens van de ME, want op mensen richten vond ik niet zo aardig, je bent welopgevoed of je bent het niet. Net als Van Gelderen hoorde ik niet echt bij de politico's maar meer bij de gelegenheidskrakers die van het kraken een levensstijl hadden gemaakt. Ik lag dus ook tot twee uur 's middags in bed, al moet ik tot mijn verdediging zeggen dat ik er meestal niet voor zes uur  's ochtends in lag, dus ik maakte wel keurig mijn acht uur slaap rond.
Maar als ik mee kon doen aan een demonstratie of een spannende actie dan deed ik dat graag, want ik was overal tegen. Fuck the system! 
Ik heb overigens geen slechte herinnering aan de kwaliteit van het eten, want ik woonde in een woongroep met veel vrouwen; een van hen had zelfs een restaurantje gekraakt midden in de Grachtengordel, want qua locaties was alleen het beste goed genoeg voor ons. Wel heb ik slechte herinneringen aan de kwaliteit van de busjes waarmee we soms actie moesten voeren. Kom je terug uit zo'n bunker met je busje vol gestolen papieren, regent het pijpestelen en moet je hangend uit het raam handmatig de ruitenwissers bedienen! En dan maar hopen dat je niet wordt aangehouden op verdenking van openbare dronkenschap! Maar dat gebeurde nooit, want de agenten zaten in die tijd altijd in hun eigen busjes porno te kijken.
Ik  ben wel een keer gearresteerd toen ik proletarisch winkelde: ik jatte een stapel boeken uit de V&D in de Kalverstraat. Vanachter de hoge spiegelwanden bleek het bewakingspersoneel prima overzicht over de winkel te hebben. Toen mocht ik kiezen of ik een boete wilde betalen of een dagje zitten. Ik koos voor een dagje zitten in een van de cellen op de Prinsengracht. Ik mocht mijn breiwerkje gewoon mee naar binnen nemen (ik weet niet meer of breien destijds ook punk was of dat het nog een erfenis uit mijn hippie-periode was) en toen de dag om was had ik er weer een bivakmuts bij.
En ja, ik had ook veelvuldig seks en liep de GGD plat met mijn platjes en geslachtsziekten, samen met een vriendin die blijkbaar dezelfde smaak had als ik. Soms hadden we het geluk dat we in de wachtkamer een echtelijke ruzie meemaakten. Dan lagen we krom van het lachen om de burgerlijke moraal. 
Duyvendak heeft gelijk: die superioriteit was het meest verwerpelijke van alles, maar een mens kan veranderen. Van Gelderen heeft ook gelijk: schaamteloosheid is leuker dan schaamte.

Zuchtmeisjes

19-08-2008

Deze zomer hebben wij Carla Bruni ontdekt. Nu begreep ik pas echt wat Sarkozy in haar zag. Hij kende haar liedjes natuurlijk al langer. Als ik president van Frankrijk was, en elke vrouw zou kunnen krijgen die ik wilde, zou ik ook Carla Bruni willen hebben. Als zij 's avonds voor het slapen gaan een liedje voor me zou zingen, helemaal voor mij alleen, zou ik me de gelukkigste man van de wereld wanen.
Want Carla Bruni zingt ongelooflijk verleidelijk. Vrouwen die zo zingen als zij - om de een of andere reden meestal Franse vrouwen -, met een hees, geil stemgeluid,  worden zuchtmeisjes genoemd, wist mijn levensgezel F. me te vertellen. Hij weet alles van muziek. Ik vond het wel een mooi woord, zuchtmeisjes. Aangenaam vulgair. Bestonden er ook zuchtjongens? vroeg ik. Mannen kunnen tenslotte ook heel hees en geil zingen, Leonard Cohen bijvoorbeeld, of Lou Reed. Maar volgens F. bestond er geen mannelijke tegenhanger van de zuchtmeisjes. Wel sneu voor Leonard en Lou.
Niet alleen Bruni's zwoele stemgeluid en de zacht golvende bewegingen van haar Frans, maar ook haar teksten nemen me voor haar in. Ze zijn poëtisch en ontroerend, maar ook licht spottend en humoristisch. Een van de liedjes waar ik ontzettend vrolijk van word, zingt Bruni vanuit het perspectief van een hondje: 'Je suis le plus beau du quartier.' Je ziet het keffertje parmantig over een Parijse boulevard trippelen, met opgeheven hoofd, in de volste overtuiging dat iedereen naar hem kijkt. Bij nadere beschouwing heeft zijn gesoigneerde hondekop verdacht veel weg van die van Sarkozy. Ik stel me voor hoe Bruni dat liedje plagerig voor hem zingt, op momenten dat  Sarkozy dik loopt te doen, en hoe hij zijn hoofd dan deemoedig in haar schoot legt, en haar dankbaar begint te likken. Het komt vast wel goed met Frankrijk.

He, he, de vreemdelingen zijn weg

18-08-2008

Luisa is nu tien en Sara acht jaar. Beiden zijn bij de geboorte afgestaan en waren, toen we ze een half jaar later in Guatemala ophaalden, zo jong dat ze zich niets meer van hun geboorteland herinnerden. Ze kenden het alleen uit onze verhalen en van foto's. Luisa heeft zich nooit zo met haar afkomst beziggehouden. Sara wel. Als ze verdrietig is trekt zij zich terug met fotoboeken over Guatemala. Ze kan dan eindeloos naar die foto's turen, alsof ze iets probeert terug te halen dat ze onderweg is kwijtgeraakt. Soms heeft ze het erg moeilijk met haar adoptie. Dan roept ze dat ze liever in Guatemala woont, al zou ze op straat moeten leven.
Afgelopen kerst zijn we voor het eerst met de kinderen naar Guatemala teruggegaan, om ze te laten kennismaken met hun geboorteland. Directe aanleiding was dat 'hun' tehuis ging sluiten.



Kindje in tomatenkist op de markt

Er blijkt in de afgelopen tien jaar veel veranderd. Het vliegveld is volledig gemoderniseerd, de wegen zijn verbeterd, er zijn veel nieuwe kantoren bij gekomen. 'Het ziet er helemaal niet arm uit!' roept Luisa verbaasd uit. Het is waar dat de armoede door al die nieuwbouw niet meteen in het oog springt. Pas in tweede instantie zien we de bedelaars langs de kant van de weg, die allerlei ledematen missen, als gevolg van de burgeroorlog die hier dertig jaar lang heeft gewoed. We zien een in vodden gekleed jongetje dat op blote voeten staat te jongleren. Kinderen die met koopwaar sjouwen, straatkinderen die laveloos zijn van drugs of drank. Onze dochters zijn het meest geschokt door een meisje dat niet veel ouder kan zijn dan Luisa, dat voor hun ogen op de grond valt, te verdoofd om nog op haar benen te staan.
Bij het tehuis staat Helen, de directrice, ons bij de deur op te wachten. Ze is dik in de zeventig en zeult een zuurstofapparaat achter zich aan, maar zodra ze ons ziet haalt ze de slangetjes even uit haar neus om de kinderen beter te kunnen omhelzen. Daarna worden we hartelijk begroet door een paar vertrouwde verzorgsters en door dokter Maritza, die speciaal voor ons is langsgekomen. Zij schiet vol als ze ziet hoe Luisa - destijds een mager scharminkel - nu is uitgegroeid tot een gezonde mooie meid. Luisa hield geen voedsel binnen en het was Maritza die net op tijd constateerde dat ze geopereerd moest worden aan haar spijsverteringsorganen. Luisa dankt haar leven aan deze vrouw.


Luisa, Maritza en Sara in het tehuis van Helen

Het tehuis, dat oorspronkelijk Helens woonhuis was, is veel leger dan vroeger. Helen is al aan het afbouwen en neemt geen nieuwe kinderen meer op. Er zijn nu nog twaalf kinderen in het huis, die allemaal in de loop van dit jaar naar hun nieuwe ouders vertrekken.
We wijzen de kinderen waar ze hebben gelegen: als pasgeboren baby bij Helen in bed en later in een ledikantje in een van de andere slaapkamers. Ik herken het ledikantje waarin ik Luisa voor het eerst zag, en de emotie van toen komt weer bij me boven. Luisa en Sara zelf zijn vooral geïnteresseerd in de inhoud van de bedjes. Urenlang spelen ze uitgelaten met de baby's en peuters en maken ze zelf foto's met hun eerste eigen camera's. Ook laten ze Helen, Maritza en de verzorgsters hun fotoboekjes zien over hun leven in Nederland. 'Het doet me zo'n plezier te zien hoe goed het met de kinderen gaat,' zegt Helen. We nemen ontroerd afscheid en beloven contact te houden.
Het volgende reisdoel is Alotenango, een arm stadje niet ver van Antigua, waar we met onze  stichting SKG vanuit Nederland meehelpen aan de bouw van een school. We zijn er uitgenodigd voor een groot feest waar we de directeur en de leraren, maar ook de kinderen en hun ouders ontmoeten. De meest spectaculaire kennismaking is die met Coco, een vrolijk en leergierig 11-jarig jongetje, dat in een sloppenwijk woont, in weinig opwekkende omstandigheden. We kennen hem al van het filmpje waarmee we fondsen werven, dus voor Sara en Luisa is hij een soort filmster. Onze meiden lachen en dansen met Coco en andere Guatemalteekse leeftijdgenootjes, die een kop kleiner zijn dan zij, maar ondanks hun armoede net zo vrolijk.


Coco en Sara dansen op het feest in Alotenango

Een paar dagen later bezoeken we in de toeristenstad Antigua een ijssalon. Terwijl wij ons tegoed doen aan een ijsje, komt er een sjofel gekleed meisje binnen met een handeltje kleurige sjaaltjes en doeken. Ze is een jaar of acht, maar heeft de blik van een door het leven geslagen vrouw. Geroutineerd biedt ze ons haar koopwaar aan en nadat we een paar hoofddoekjes van haar hebben gekocht, verdwijnt ze weer alleen de donkere avond in. Luisa kijkt haar na en zegt peinzend: 'Als ik in Guatemala was gebleven, was ik misschien net als dat meisje geweest.'
Sara lijkt zich minder te identificeren met haar leeftijdsgenootjes. In het zwembad in Monterrico haalt ze opgelucht adem wanneer de lokale kinderen het bad verlaten. 'Hèhè, de vreemdelingen zijn weg,' verzucht ze tevreden. Maar ook haar heeft de reis zichtbaar goed gedaan, stellen we vast nu we alweer heel wat maanden terug zijn. Ze heeft eigen herinneringen en eigen beelden aan haar geboorteland kunnen verzamelen. Daarmee is haar achtergrond nu meer van haar geworden. Als mensen vragen hoe ze het vond, zegt ze: 'Móói!', en laat opgetogen de foto's zien van de baby'tjes in het tehuis. Ze zegt nooit meer dat ze liever op straat woont in Guatemala, want ze heeft nu gezien wat dat inhoudt. Luisa schreef na terugkeer op school een werkstuk over straatkinderen en hield een spreekbeurt over Guatemala. Toen ze onlangs tien jaar in Nederland was, schilderde ze tijdens het feestje met haar vriendinnen een spandoek om actie te voeren voor de school in Alotenango. Op het spandoek prijkt een foto van Coco: Guatemalteekse filmster én vriend.


Vierkante Meter - Websites en meer!